| De familiesite Beijen/Beyen door Laurens Beijen |
![]() |
|
De voorpagina Het inhoudsoverzicht De volgende pagina De vorige pagina |
De voornamenlijst De fotogalerij Zoeken op deze website Contact |
Aan de Houtdijk ten zuidoosten van Kamerik en ten noordoosten van Woerden staat de boerderij Duifhuis (soms met een lidwoord 'Het Duifhuis' genoemd). Die boerderij heeft een bijzondere rol gespeeld in het leven van een aantal leden van de tak Jan Thomas. Op deze pagina wordt verteld over de geschiedenis van de boerderij en over de betrokkenheid van de Beijens erbij.
![]() Dit is een uitsnede uit een recente topografische kaart. Duifhuis ligt aan het doodlopende westelijke deel van de Houtdijk. Toen Kamerik nog een zelfstandige gemeente was, liep de grens tussen Kamerik en Woerden, die tevens de provinciegrens tussen Utrecht en Zuid-Holland was, over de Houtdijk en een lijn die ongeveer in het verlengde daarvan lag. Duifhuis ligt aan de noordkant van de dijk, en het lag dus in Kamerik. Sinds 1989 valt Kamerik onder de gemeente Woerden. De uitgebreide gemeente Woerden ligt nu in zijn geheel in de provincie Utrecht. Van kloostervrouwen naar de ridderschapUit een artikel van de regionale historicus Z. van Doorn in het blad Zuidhollandse Studiën uit 1968 blijkt dat de oorsprong van Duifhuis in de Middeleeuwen ligt. Het was toen een aanzienlijke hofstede met de naam Mairloge of Meerlo ('moerasbos'). Rond 1400 werd het met de omliggende landerijen eigendom van het door adellijke vrouwen bewoonde klooster Oudwijk bij Utrecht. Van Doorn neemt aan dat de hofstede toen al vele eeuwen bestond.Na de reformatie kwamen de goederen van het 'Convent van Oudwijk' onder het beheer van de ridderschap: het adellijke deel van de Staten van Utrecht. Net als in de tijd van de kloostervrouwen werden de boerderij en de landerijen verpacht. De oppervlakte was zo'n 70 morgen, ongeveer 60 hectare. Het grootste deel lag ten noorden van de Houtdijk in Stichts (Utrechts) gebied, een kleiner deel lag ten zuiden daarvan in Hollands gebied. In het zuidelijke deel werd in de loop van de tijd veel van de door de Rijn afgezette rivierklei afgegraven en verkocht voor de fabricage van bakstenen en dakpannen. De boerderij in de zeventiende en achttiende eeuwVanaf ongeveer 1600 werd de boerderij met de landerijen een eeuw lang gepacht door leden van de familie Cosijn. Na het overlijden van Jacob Cosijn omstreeks 1697 werd de pacht eerst voortgezet door zijn weduwe en later door zijn dochter Joosje Cosijn en haar man Dirck van Darthuysen. In 1726 verkocht het Convent van Oudwijk het Stichtse deel van de landerijen, ongeveer 39 morgen, aan Dirck en Joosje. De boerderij was al eerder hun eigendom geworden. Inmiddels werd de boerderij aangeduid als Duyfhuys, volgens Van Doorn naar een duivenhuis waarvan in de twintigste eeuw nog sporen aanwezig zouden zijn geweest.![]() Dit is een verkleinde kopie van de kaart van de bezittingen bij het latere Duifhuis uit het kaartenboek van het Convent van Oudwijk. Het kaartenboek stamt uit de zeventiende eeuw. De windroos rechts geeft aan dat (met een kleine afwijking) links het zuiden en rechts het noorden is. Linksboven staat "Mairloge onder Camerick". Bij het riviertje links staat "Den Woertschen Ryn". In het als boomgaard aangegeven perceel iets links van het midden is vaag een boerderij aangeduid (het ging de makers van het kaartboek meer om de percelen dan om de gebouwen). Schuin daaronder staat "Wert gebruijckt bij Aert Cosijn onder Camerijck". Rechts staat in een veel moderner handschrift "De Landen onder 't Stigt gelegen zijn volgens Resolutie van den 12den October 1726 verkoft aan Dirk van Darthuysen en Joosje Jacobs Cosyns Egtelieden".
De negentiende eeuw![]() Hierboven staat een kleine uitsnede van een kadastrale kaart van Kamerik uit 1832. De boerderij en het bijbehorende zomerhuis zijn duidelijk te zien. Daarachter stonden twee hooibergen.
Na het overlijden van Annigje Blom-van der Linden in 1826 werd Duifhuis eigendom van haar dochter en schoonzoon Grietje (Margrieta) Blom en Aalbert de Leeuw.
Een winterhuis en een zomerhuis![]() Op de uitsnede hierboven van de kadastrale kaart uit 1832 zijn twee gebouwen te zien. Net als veel andere boerderijen bestond Duifhuis oorspronkelijk uit een groot winterhuis, met aan de voorkant het woongedeelte en daarachter de stal, en een kleiner zomerhuis. ![]() Ergens in het begin van de twintigste eeuw (waarschijnlijk voor de hieronder genoemde verkopingen), is het woongedeelte van het winterhuis afgebroken. Er werd toen alleen nog gewoond in het oorspronkelijke zomerhuis.
Verkopingen in 1918-1920![]() In april 1918 werden Duifhuis en de bijbehorende landerijen in opdracht van de eigenaar, Eduard G.B. van Voorst van Beest, in het openbaar verkocht. Daarbij werd bepaald dat de pacht, die in 1920 zou aflopen, in stand zou blijven.
Cornelis Beijen en zijn gezin in DuifhuisNa deze aankopen was de weduwe Beijen-Hoogeboom eigenaar van de boerderij Duifhuis met ruim 17 hectare grond. Na de verdeling van de nalatenschap van haar man en haarzelf stond zij daarnaast nog te boek als eigenaar van een boerderij in Uithoorn, waar haar zoon Cornelis (13.72) woonde, en een boerderij in Mijdrecht, die aan anderen verhuurd was. Bij de verdeling had zij geld of vorderingen moeten toekennen aan haar kinderen. Er rustte daarom een zware hypotheek op Duifhuis.De pachters Gerrit Smit en Aagje de Leeuw vertrokken eind april 1920 naar Kamerik. Direct daarna verhuisde Cornelis (Kees) Beijen met zijn vrouw Grietje van Egmond en hun kinderen vanuit Uithoorn naar Duifhuis. Zijn zuster Maria Helena Beijen (13.73) ging met haar man Hage van der Boon en hun kinderen in de boerderij in Uithoorn wonen. De weduwe Beijen trok in bij het gezin van Kees Beijen in Duifhuis. Hoewel Kees Beijen het nu op de boerderij voor het zeggen zou moeten hebben, bleef zijn broer Floris (Floor) zich met de gang van zaken bemoeien. Zelf had Floor ervoor gekozen om niet als boer te werken. Hij had een kaashandel in Woerden en handelde ook regelmatig in onroerend goed. Hij had veel kritiek op Kees, die minder zakelijk was ingesteld en volgens Floor geen goede boer was. ![]() Kees ondervond problemen door veeziekten. Toen hij het financieel nog moeilijker kreeg door de crisis van 1929, was de maat kennelijk vol: hij moest de boerderij verlaten. De boerderij werd per 1 mei 1930 te huur aangeboden en op 24 april 1930 werd boelhuis gehouden.
Kees Beijen verhuisde met zijn gezin eerst naar Woerden en later naar Kamerik. Zijn moeder vertrok naar haar oudste dochter Johanna (Anna) van Vuuren-Beijen (13.69). Die had met haar man Johan van Vuuren een pachtboerderij in Brummen. Van 1930 tot 1940Na het vertrek van Kees Beijen moest er een pachter van buiten de familie komen. Het is niet bekend wie dat van 1930 tot 1933 is geweest.In het voorjaar van 1933 werd er tweemaal in de krant een veiling van Duifhuis aangekondigd: op 5 april bij notaris Minkema en op 19 april bij notaris Van Winter. Bij beide gelegenheden werd de boerderij niet verkocht. Duifhuis bleef dus eigendom van Maria Helena Beijen-Hoogeboom. Er kwam in 1933 wel een nieuwe pachter: Marcelis Antoon van Bemmel (roepnaam Celis). Hij was in 1905 geboren op een boerderij in Alphen en verhuisde later met zijn ouders naar boerderijen in Zwammerdam en Woerden. In 1933 trouwde hij met Leentje Geertje Hoogendoorn, een boerendochter uit Waarder. Na hun huwelijk ging het jonge echtpaar in Duifhuis wonen. Ze bleven daar zeven jaar. In 1940 verhuisden ze naar Linschoten. ![]() De advertentie links stond in het Woerdensch Weekblad van 30 juni 1934, de advertentie rechts in het Woerdensch Weekblad van 20 maart 1940 toen Van Bemmel op het punt stond naar Linschoten te verhuizen. Wisseling van eigenaar en pachter in 1940Op 30 oktober 1940 werd Duifhuis alsnog verkocht, niet via een veiling maar gewoon op kantoor bij notaris Minkema. Floris Beijen verkocht namens zijn moeder de boerderij en de bijbehorende grond (er was in 1925 nog anderhalve hectare bijgekocht) voor 50.000 gulden aan twee kooplieden uit Woerden: Aart de Zeeuw en Cornelis Johannes Lunenburg.Bijzonder was dat de familie Beijen de boerderij aan de ene kant uit handen gaf, maar hem aan de andere kant in zekere zin weer terugkreeg. Direct aansluitend aan de eigendomsoverdracht verpachtten De Zeeuw en Lunenburg bij dezelfde notaris de boerderij en de grond voor onbepaalde tijd aan Johannes van Vuuren, de hierboven genoemde echtgenoot van Johanna (Anna) Beijen. Zijn pachtovereenkomst in Brummen was opgezegd en hij kon nu in Duifhuis verder boeren. De weduwe Beijen, die al van 1920 tot 1930 in Duifhuis had gewoond, kwam met haar dochter en schoonzoon mee terug naar de oude boerderij. Maria Helena Beijen-Hoogeboom overleed in 1948, bijna 90 jaar oud. ![]() De foto hierboven is gemaakt in 1945. Op de foto zitten leden van de familie Spruit, de toenmalige bewoners van de naastgelegen boerderij Houtdijk 2.
![]() Overgenomen door de familie DrooghRond 1949 wilden de eigenaren De Zeeuw en Lunenburg van Duifhuis af. De pachter Johan van Vuuren had de boerderij misschien kunnen kopen, maar hij durfde het uiteindelijk niet aan. Koper werd Adrianus Droogh, boer in Zoetermeer. De boerderij kwam op naam te staan van zijn zoon Martinus Jacobus Maria (Tinus) Droogh, geboren in 1915. Die wilde boer worden, maar had andere broers die eerder in aanmerking kwamen om de ouderlijke boerderij over te nemen.Tot 1953 kon de familie Van Vuuren-Beijen in Duifhuis blijven. Daarna verhuisden ze naar een boerderij in De Meern. ![]() Op deze foto (van Jan van Es, uit 1986) is Duifhuis te zien vanuit het zuiden met de Molenvliet op de voorgrond. Het witte gebouw is het oorspronkelijke zomerhuis.
![]() Hierboven de boerderij Duifhuis in 2020.
|
|
De volgende pagina De voorpagina Het inhoudsoverzicht |
De bovenkant van de pagina Zoeken op deze website Contact |