De familiesite Beijen/Beyen
door Laurens Beijen
De voorpagina
Het inhoudsoverzicht
De volgende pagina
De vorige pagina
De voornamenlijst
De fotogalerij
Zoeken op deze website
Reacties of vragen

De oudste generaties van de IJsselsteinse familie

De familie Van der Schuer-Beijen

Belichgen Beijen (4.4) was een van de dochters van Dirck Janszoon Beijen (3.1) en zijn vrouw Jannichgen Holl. Haar naam werd soms ook geschreven als Belia of (nog deftiger) Sibilla. De naam Belichgen werd waarschijnlijk uitgesproken als Beligje.

Cornelis van der Schuer

Belichgen trouwde in 1626 in Utrecht met Cornelis van der Schuer. Cornelis was op dat moment deurwaarder bij de rekenkamer van de Republiek van de Verenigde Nederlanden in Den Haag. De belangrijkste taak van de rekenkamer was het controleren van de bijdragen van de afzonderlijke provincies aan de unie. De deurwaarder was een ondersteunende medewerker.
Cornelis nam in 1630 ontslag bij de rekenkamer omdat hij ook veel andere functies had. Hij werkte onder andere als solliciteur (vertegenwoordiger bij kleine rechtszaken) en als solliciteur-militair (iemand die de betalingen aan de militairen voorschoot en het betaalde bedrag vervolgens met een zekere opslag incasseerde bij de overheid). Hij had daarnaast de prestigieuze functie van Domheer van het Kapittel van Oudmunster. Dat was een instelling die de onroerende goederen van een voormalige kerk in Utrecht beheerde.
Cornelis en Belichgen woonden in Den Haag, waar ze een aantal kinderen kregen. In 1641 verhuisde het gezin naar Leiden. Cornelis schreef zich daar in als student in de rechten aan de universiteit. In hetzelfde jaar werden ook zijn zoons Cornelis, Johan en Godfried ingeschreven. Volgens het inschrijvingsregister van de universiteit waren ze 16, 15 en 14 jaar oud, maar in werkelijkheid waren ze nog een stuk jonger. Godfried moet pas 9 zijn geweest. Er werd destijds wel vaker met leeftijden gesmokkeld.
In 1647 werd Cornelis tegelijk met zijn zoon Cornelis junior door het Hof van Holland beŽdigd als advocaat. Hij werkte een paar jaar in die functie in Den Haag. In 1650 werd Cornelis door de Staten-Generaal aangesteld als ontvanger van de verpondingen (belastingen op onroerende zaken) in het oostelijk deel van de Baronie van Breda. Later woonden Cornelis en Belichgen in Maastricht. Uit het Maastrichtse burgerboek blijkt dat Cornelis in 1665 officieel het burgerrecht van die stad kreeg en dat hij toen notaris was. Het is niet bekend wanneer Cornelis en Belichgen zijn overleden.

Het wapenbord van Godfried van der Schuer

Godfried van der Schuer, een van de zoons van Cornelis en Belichgen, koos na zijn verblijf in Leiden voor een militaire carriŤre en werd uiteindelijk kapitein. Hij deed jarenlang dienst in Staats-Vlaanderen, het huidige Zeeuws-Vlaanderen. Na zijn terugtreden uit het leger ging hij in Utrecht wonen. Hij overleed daar in 1687.
Ter nagedachtenis aan Godfried werd in de Utrechtse Jacobikerk een rouwbord met familiewapens aangebracht. Helaas is dat rouwbord na de totstandkoming van de Bataafse Republiek in 1795 weggehaald en verdwenen. Het gebruik van familiewapens werd toen in strijd geacht met de gelijkheidsgedachte. Alle afbeeldingen van zulke wapens moesten daarom uit kerken en andere gebouwen worden verwijderd.

    
Toch is bekend hoe de wapens op dit wapenbord er ongeveer moeten hebben uitgezien. Dat is onder andere te danken aan de medicus Engelbert van Engelen (circa 1660-1723) die een met de hand geschreven boek heeft gemaakt met grafschriften en gekleurde schetsen van familiewapens uit de kerken in Utrecht. Het boek bevindt zich in het Utrechts Archief.
Op de foto hiernaast staan de schetsen van Van Engelen van de familiewapens op het wapenbord van Godfried van der Schuer. Links staan de namen Van der Schuer, Calf, Oldenbarnevelt en Schaep, rechts de namen Beyen, Van Roye, Kluyt en Blockhuyse.

De tweede foto laat laat een andere weergave van de wapens op het wapenbord van Godfried van der Schuer zien. Die is gemaakt door een lid van de Utrechtse familie Van Atteveld, waarschijnlijk Dirk van Atteveld (circa 1650-1741). Ook de verzameling Van Atteveld is aanwezig bij het Utrechts Archief. Die weergave is niet in kleur; de kleuren worden daar met letters aangeduid. De schetsen van Van Atteveld komen goed overeen met die van Van Engelen.

Volgens de geldende regels werden op een dergelijk wapenbord de wapens van de acht overgrootouders weergegeven: links die van vaders kant en rechts die van moeders kant. De linkerkant van het wapenbord lijkt hiermee redelijk in overeenstemming. De gebruikelijke volgorde was: de vader van de vader van de vader, de vader van de moeder van de vader, de moeder van de vader van de vader, de moeder van de moeder van de vader.
De ouders van Godfrieds grootvader van vaderskant heetten Van der Schuer en Van Oldenbarnevelt. De vader van Godfrieds grootmoeder van vaderskant heette Calff. Het is niet bekend of de moeder van zijn grootmoeder van vaderskant inderdaad Schaep heette, maar het is ook niet uitgesloten.
Aan de rechterkant is alleen het familiewapen Beijen goed te plaatsen: het hertengewei kwam ook voor op het lakzegel van Belichgens vader. De kleuren (zwart op een gele achtergrond) komen overeen met andere weergaven van dat wapen. Meer daarover is te lezen op de pagina Familiewapens.
Voor het overige ziet het ernaar uit dat de maker van het wapenbord er bij gebrek aan gegevens maar een slag naar geslagen heeft. Belichgens moeder heette Holl, maar die naam komt hier niet voor. De naam Van Roijen kwam in IJsselstein wel voor, maar er zijn geen aanwijzingen dat er een Van Roijen tot de voorouders van Belichgen behoorde. Het voorkomen van de naam Kluyt heeft misschien iets te maken met het feit dat de tante van Belichgen, Adriana Beijen (3.2), na het overlijden van haar eerste man kapitein Jacob van Telshout hertrouwd was met kapitein Geerlof Cluijt van Voornbroeck, die afkomstig was uit Schoonhoven en daar baljuw was geweest. Een misschien wat vergezochte verklaring voor de vermelding van de naam Blockhuysen zou kunnen zijn dat er rond 1600 ook iemand met die naam een vooraanstaande positie in het stadsbestuur van Schoonhoven had.

De schilder Theodoor van der Schuer

Theodoor van der Schuer, een van de andere zoons van Cornelis van der Schuer en Belichgen Beijen, werd in 1634 geboren in Den Haag. Hij koos voor een loopbaan als kunstschilder. Al op jonge leeftijd ging hij in Parijs in de leer bij de vooraanstaande Franse schilder Bourdon. Vanaf 1652 werkte hij met Bourdon in Stockholm aan het hof van koningin Christina van Zweden. Zij deed in 1654 afstand van de Zweedse kroon en ging in Rome wonen, waar zij ook een hofhouding voerde. Van der Schuer, die later ook in Rome woonde, heeft ook daar voor Christina gewerkt. Hij ontleende daaraan later de titel 'schilder van de koningin van Zweden'.
Vanaf circa 1665 woonde en werkte Van der Schuer in Nederland, vooral in Den Haag.

    
    
In 1667 kreeg hij de opdracht voor een aantal schilderingen in het pas gebouwde stadhuis van Maastricht. Het grootste en meest opvallende werk was de beschildering van het plafond van de grote hal van het stadhuis. Voor zijn werkzaamheden in Maastricht verbleef hij daar een aantal jaren.

Na zijn terugkeer in Den Haag was Van der Schuer een veelgevraagd kunstenaar. Hij schilderde decoratieve werken, waaronder veel plafondschilderingen, maar ook portretten en historiestukken.
In opdracht van de Staten-Generaal beschilderde hij het plafond van de Trèveszaal in Den Haag, die tegenwoordig gebruikt wordt als de vergaderzaal van de ministerraad. Het onderwerp van de schildering (te zien op de bovenste foto) was de eendracht van de Zeven ProvinciŽn. Ook de twee schoorsteenstukken in de Trèveszaal zijn van zijn hand.

Van der Schuer kreeg veel opdrachten van stadhouder Willem III. Hij beschilderde onder andere het plafond van de slaapkamer van diens vrouw Mary II Stuart op het Binnenhof in Den Haag. Dat plafond (zie de tweede foto) is in 1879 overgebracht naar het Rijksmuseum in Amsterdam. Van der Schuer maakte ook werken voor het jachtslot van Willem III in Soestdijk (de kern van het latere paleis) en voor zijn buitenhuis in Honselersdijk.

De onderste foto laat een schoorsteenstuk zien dat Van der Schuer na 1700 voor het stadhuis van Maastricht maakte. De twee dames die de scepter zwaaien op het schilderij zijn een toespeling op de 'dubbele jurisdictie' van Maastricht: de stad werd eeuwenlang gezamenlijk bestuurd door de hertog van Brabant (later de Staten-Generaal) en de bisschop van Luik.

Theodoor van der Schuer overleed in 1707 in Den Haag.


   De volgende pagina

De voorpagina
Het inhoudsoverzicht

De bovenkant van de pagina
Zoeken op deze website

Reacties of vragen