De familiesite Beijen/Beyen
door Laurens Beijen
De voorpagina
Het inhoudsoverzicht
De volgende pagina
De vorige pagina
De voornamenlijst
De fotogalerij
Zoeken op deze website
Reacties of vragen

De families Beijen/Beyen en de godsdienst

Godsdienstige tradities

De verschillende godsdienstige groeperingen leefden vroeger sterk gescheiden van elkaar. Huwelijken tussen leden van verschillende kerkgenootschappen kwamen zelden voor. De meeste mensen bleven hun hele leven tot dezelfde kerk behoren. Zulke vanzelfsprekendheden zijn de laatste jaren verdwenen.

Voor het inzicht in het leven van vorige generaties is het belangrijk om te weten wat de godsdienstige tradities van de verschillende families waren. Deze pagina geeft daar een algemeen beeld van.

Specifieke informatie over de vraag hoe mensen hun geloof beleefden is zelden in archiefstukken te vinden. In de meeste gevallen moeten we het doen met formele gegevens, zoals de kerk waar kinderen werden gedoopt of de godsdienst die werd vermeld in het bevolkingsregister.

Van enkele leden van de families Beijen en Beyen is bekend dat zij een functie in de kerk hadden of dat de godsdienst op een andere manier een belangrijke rol in hun leven speelde. Over hen wordt hierna iets meer gezegd.

Protestantse en katholieke families

Van de families Beijen en Beyen heeft de IJsselsteinse familie van oudsher vooral een protestants karakter. Dat gold ook voor de uitgestorven Dordtse familie.
De Nieuwkapelse familie, de Breyellse familie en de Hengelose familie hebben hun oorsprong in katholieke streken. Die families zijn dan ook van oudsher vooral katholiek. Dat neemt niet weg dat er soms veranderingen zijn opgetreden. Dat geldt vooral voor de Nieuwkapelse familie.
Hierna komen de verschillende families achtereenvolgens ter sprake.

De IJsselsteinse familie

In de loop van de zestiende eeuw verspreidde het protestantisme zich over grote delen van Nederland. Aanvankelijk verzetten de verschillende overheden zich daar heftig tegen. Zo werden rond 1570 tientallen inwoners van IJsselstein door de Raad van Beroerten in Brussel veroordeeld omdat zij de gereformeerde religie aanhingen. Voorzover bekend waren daar geen leden van de familie Beijen bij.
In 1577 ging het stadsbestuur van IJsselstein overstag. De Kloosterkerk en de Sint Nicolaaskerk werden in bezit genomen door de protestanten. De gereformeerde godsdienst werd overheersend in IJsselstein, al bleef ongeveer de helft van de 'gewone' bevolking katholiek.
De IJsselsteinse familie Beijen, die tot de bovenlaag van het stadje behoorde, was protestants. Van enkele leden van de familie is bekend dat zij ouderling waren. Dat geldt bijvoorbeeld voor Dirck Beijen (5.5). Over zijn conflict met de plaatselijke predikant naar aanleiding van zijn vierde huwelijk wordt meer gezegd op de pagina Dirck Gijsbertszoon Beijen en zijn vrouwen.

De tak Gijsbert van de IJsselsteinse familie

De bevolkingsregisters, die werden bijgehouden in de periode tussen globaal 1850 en 1940, vermeldden ook de godsdienst van de inwoners. De leden van de tak Gijsbert werden op een paar uitzonderingen na steeds vermeld als Nederlands hervormd. De belangrijkste uitzondering was het gezin van Theodorus Beijen (13.39) (1884-1966) uit Hilversum. Volgens het bevolkingsregister waren Theodorus, zijn uit Schotland afkomstige vrouw Margaret Lynch en hun kinderen katholiek.

De tak Jan Thomas van de IJsselsteinse familie

Ook de leden van de tak Jan Thomas werden in de bevolkingsregisters voor het overgrote deel als Nederlands hervormd vermeld.

Gerrit Beijen (11.21), aan wie de pagina Gerrit Beijen Gerritszoon en zijn gedichten is gewijd, zegde op latere leeftijd op de van hem bekende manier (op rijm) zijn kerklidmaatschap op:

Aan Heeren Kerkvoogden en Notabelen
en verdere leden van het bestuur der
Gereformeerde geloofsbelijdenis te
Haastrecht.


Die dikwijls in 't bestuur steeds zijn
     Het zij in daad het zij in 't schijn
Zulks heeten brave menschen
     Maar of dit werkelijk zoo is
Ik sla de bal zoo dikwijls mis
     Maar toch ik help het wenschen.

Mijnheeren van dit kerkbestuur
     Dat nooit geen stand houd op den duur
Altans ik ga 't verlaten
     De kerkelasten bovendien
Kan ik meer kwaad als goed in zien
     Daar gaan ik het 't meest om haten.
Geloof bezit ik wonder veel
     Maar vormen juist in tegendeel
En houdt ook niet van bidden
     En of dit iemand ooit kan baten
Met die het gelooft wil ik eens praten
     Zoo lang blijft het in 't midden.

Maar nu ter zake tot besluit
     Ik wil dat kerkgenootschap uit
Maar waar zal ik belanden
     Niet Remonstrants niet Luthers neen
Na Joods of Roomsch ga 'k ook niet heen
     Ik leg niet graag aan banden.

De kerktucht en dwinglandij
     Dat is gelukkig nu voorbij
Verandert zijn die tijden
     En die aan vormen zich nog houdt
Altans zoo wordt door mij beschouwt
     Die is de koers bezijden.

Gerrits neef (oomzegger) Gerrit Beijen Corneliszoon (12.48) (1859-1915) sloot zich aan bij de Nederlandse Protestantenbond, een vrijzinnig kerkgenootschap. Hij was vice-voorzitter van de NPB in Woubrugge.
Op de pagina Jilles Beijen (1879-1954), een grote Bodegraver wordt melding gemaakt van conflicten tussen de vrijzinnige Jilles Beijen (13.66) en de orthodoxe kerkenraad van de Hervormde Gemeente in Bodegraven. In 1930 gaf Jilles de stoot tot de oprichting van een afdeling Bodegraven van de Vereniging van vrijzinnige hervormden, waarvan hij zelf secretaris werd.

De tak Johan Franco van de IJsselsteinse familie

Op de pagina Johan Franco I, beschermer van de Herrnhutters wordt ingegaan op de bijzondere relatie van Johan Franco I Beijen (7.1) met een groep buitenlandse christenen die in IJsselstein was komen wonen. Na jarenlange problemen leidde dat in 1750, twee jaar voor de dood van Johan Franco, tot een breuk tussen hem en de officiële gereformeerde (hervormde) kerk van IJsselstein.
De vrouw en de twee kinderen van Johan Franco bleven de officiële kerk trouw. Zijn dochter Anna Catharina (8.3) trouwde met de predikant van Harmelen, Isaac ter Bruggen.

Ook de meeste leden van de latere generaties van de tak Johan Franco behoorden tot de hervormde kerk. Een van hen was Hendrik Johan Rudolph Beijen (10.9), de hoofdpersoon van de pagina's Hendrik J.R. Beijen, minister van Oorlog en Het dagboekje van Hendrik J.R. Beijen uit 1844. Hij was een diepgelovig man. Op latere leeftijd werd hij gekozen tot ouderling van de hervormde gemeente in Den Haag. Iemand die hem in die tijd had meegemaakt schreef later:
Op een goeden dag werd deze Generaal tot ouderling van de Herv. Gemeente van 's-Gravenhage gekozen. Hij werd de ouderling van mijn vader, die aldaar predikant was, en die veel en veel jonger was.
Daar komt hij een keer bij mijn vader binnenstuiven: Daar hebben ze me nu ouderling gemaakt, ze kunnen me wel van alles vragen, dat kan ik immers niet, daar ben ik toch heelemaal niet geschikt voor! Zet me voor een troep soldaten, die kan ik commandeeren.
Mijn vader betuigde natuurlijk dat hij daar geknipt voor was en dat hij het toch vooral doen moest. Waarop de Generaal vroeg: Kan je dat leeren? Nu goed, dan ben jij de Generaal en ik de recruut.
En zoo toog de Generaal eenigen tijd met mijn vader mee in zijn wijk, waartoe destijds ook het armste deel van Den Haag behoorde. Na verloop van tijd zei de Generaal: Nu kan ik het ook. En toen ging hij alleen op stap. En zoo ging hij ook naar een buurt, waar menschen woonden, die nog al veel verbeelding van zich zelf hadden en nu niet bepaald uitmuntten door kerkelijke belangstelling en bij voorkeur ouderlingen liever niet dan wel zagen.
Dan belde de Generaal aan en gaf zijn visitekaartje af met al zijn titels daar op. Het gevolg was dat de deuren wagenwijd opengingen, iedereen boog met de betuiging van de groote eer van het bezoek, en de vraag waaraan zij dat te danken hadden. En dan zei de Generaal als hij eenmaal goed en wel binnen was: Laat al die titels nu maar zitten, ik ben ouderling en kwam eens over jullie geestelijke belangen praten.
En dan verzeker ik U, dat hij die geestelijke belangen wist te behartigen tot grooten zegen van menigeen.

Enkele leden van de latere (Indische) generaties van deze tak behoorden tot de katholieke kerk. Dat hing waarschijnlijk samen met een huwelijk met een katholieke partner.

De Nieuwkapelse familie

Remigius Beijen (2.1), de stamvader van de Nieuwkapelse familie, was afkomstig uit West-Vlaanderen. Hij was van katholieke afkomst, net als zijn uit Nijmegen afkomstige vrouw Johanna van Kempen.
Hun kleinzoon Henricus Hubertus Beijen (4.7), die onderkassier van de Bank van Lening in Haarlem was, trouwde daar in 1826 met Elisabeth van den Berg, die net als hij katholiek gedoopt was. In 1843 werden Henricus en Elisabeth echter met hun kinderen lid van de hervormde kerk.
Henricus' zoon Karel Hubertus (5.17), trouwde in 1863 met de doopsgezinde Jannetje Stenvers. Volgens het bevolkingsregister bleef Karel hervormd, maar waren alle kinderen uit dit huwelijk net als Jannetje doopsgezind. Na het overlijden van Jannetje hertrouwde Karel in 1883 met de evangelisch-lutherse Antoinette Wikinga Ramaer. De kinderen uit dit tweede huwelijk behoorden volgens de registers niet tot een kerkgenootschap.
De oudste zoon van Karel, Karel Hendrik (6.3), was van oorsprong doopsgezind en trouwde met de remonstrantse Louisa Maria Coenen. De opvoeding van hun kinderen was niet gebonden aan een bepaalde kerk.
Een van die kinderen was de latere minister van Buitenlandse Zaken Johan Willem Beijen/Beyen (7.2). Mede door wat hij van zijn moeder had meegekregen, beschouwde hij zich als een gelovig christen. In zijn biografie wordt vermeld dat hij in 1952 aan prins Bernhard schreef: "Ondanks alles, wat ik over het katholicisme lees, blijf ik overigens een overtuigd, hoewel onkerksch, Protestant." Toch liet hij zich tien jaar later op 65-jarige leeftijd alsnog dopen in een katholieke kerk.

De Breyellse familie

De leden van de oudste generaties van de Breyellse familie werden allemaal katholiek gedoopt. In de bevolkingsregisters uit latere tijd werden de leden van deze familie ook steeds als katholiek vermeld.

De Hengelose familie

Ook de Hengelose familie heeft een katholieke achtergrond.

De hiernaast afgebeelde Bernarda Christina Beijen (6.13) werd in 1910 geboren in Hengelo. Zij deed op 23-jarige leeftijd, in 1933, haar intrede in de congregatie van de Liefdezusters van het Kostbaar Bloed in Koningsbosch bij Sittard. Zij was onder andere bejaardenverzorgster en droeg de kloosternaam Zuster Maria Antonio of kortweg Zuster Antonio.
Zij overleed in 1992 in Sittard. Een foto van haar grafsteen is te zien op de pagina Grafstenen en andere gedenktekens.

De uitgestorven Dordtse familie

Op de pagina Herman, Arent en Pieter Bayen/Beijen wordt vermeld dat de eerste leden van de Dordtse familie protestanten waren die uit Brabant naar de Duitse stad Wezel (Wesel) waren gevlucht. Later vestigde de familie zich in Dordrecht.

Een van de leden van deze familie, Peter Beijen (5.7), studeerde theologie in Utrecht. Eind december 1691 werd hij door de kerkenraad van Koudekerk bij Leiden beroepen als predikant. Begin februari 1692, vlak voordat hij zijn ambt zou aanvaarden, overleed hij echter in Dordrecht.

Losse eindjes

De pagina Hendrik Beijen uit Duisburg en zijn familie gaat over een protestants los eindje.
Hendrik Beijen, de oudst bekende vertegenwoordiger van dat takje, was afkomstig uit Duitsland en was lid van de gereformeerde kerk in 's-Hertogenbosch. Later was hij actief betrokken bij de Broedergemeente (de Herrnhutters), waar (toevallig) ook de hierboven genoemde eerste Johan Franco Beijen belangrijke bijdragen aan had geleverd.
Over zijn zoon Petrus Beijen, die kerkorganist was in Nijmegen, is meer te vinden op de bovengenoemde pagina.

Diens zoon Hendrik Johannes Beijen was de laatste vertegenwoordiger van dit takje. Hij was nog maar elf jaar toen zijn vader overleed. Door toevallige omstandigheden is er vrij veel over zijn leven bekend. Bij zijn overlijden was Johan (zoals zijn roepnaam waarschijnlijk luidde) namelijk actief lid van de Broedergemeente in Zeist. In dat opzicht volgde hij zijn grootvader dus na. Zoals gebruikelijk bij de Herrnhutters werd er na het overlijden van Johan een levensbeschrijving van hem opgetekend. Die beschrijving is bewaard gebleven.
Hierna volgt een fragment daaruit. Het stuk is geschreven in het moeilijk leesbare oude Duitse schrift.

Er war geboren den 20n Nov. 1779 in Nimwegen. Sein Vater Pieter Beyen war Organist in dieser Stadt. Seine Mutter ging schon, da er noch ein kleines Kind war, aus der Zeit, und er genoß auch des wegen, besonders da sein Vater wieder geheirathet hatte, eine nicht sehr sorgfältigen Erziehung. Doch nahm sich sein Grosvater, welcher in Herzogenbusch wohnte und mit der Brüdergemeine in Verbindung stand, seinen treulich an und wies ihn fleißig ....

Nadat hij een tijd bij zijn grootvader Hendrik Beijen in 's-Hertogenbosch had gewoond, verbleef Johan een aantal jaren in het weeshuis in Nijmegen. Het weeshuis zorgde ervoor dat hij bij een zilversmid in de leer kwam. Volgens de levensbeschrijving werd Johan daar negatief beïnvloed door het losbandige gedrag van zijn collega's. Na een ongeluk dat bijna fataal afliep, kwam hij tot bekering. Via zijn grootvader kwam hij in contact met leden van de Zeister Broedergemeente. In november 1804 kon hij in Zeist gaan wonen, en later werd hij als lid van de Broedergemeente opgenomen. Van 1805 tot 1808 woonde hij in de vestiging van de Herrnhutters in het Deense Christiansfeld. Daarna keerde hij terug naar Zeist.
In Johans levensbeschrijving wordt gesproken over zijn opgewekt, vreedzaam en bescheiden karakter en over zijn vertrouwen en geloof in God, waardoor hij anderen aanmoedigde en tot steun was. Zijn verblijf in Zeist duurde echter maar enkele jaren: hij overleed in 1811, nog maar 31 jaar oud, aan wat in zijn levensverhaal een zenuwkoorts wordt genoemd.


   De volgende pagina

De voorpagina
Het inhoudsoverzicht

De bovenkant van de pagina
Zoeken op deze website

Reacties of vragen