De familiesite Beijen/Beyen
door Laurens Beijen
De voorpagina
Het inhoudsoverzicht
De volgende pagina
De vorige pagina
De voornamenlijst
De fotogalerij
Zoeken op deze website
Reacties of vragen

De tak Johan Franco van de IJsselsteinse familie

Johan Franco II en Elisabeth Charlotte Elikink

Johan Franco Beijen II (8.5) werd in 1738 geboren in IJsselstein. Hij was veertien jaar toen zijn vader, Johan Franco I, overleed. Johan Franco ging later rechten studeren aan de universiteit van Utrecht. Hij promoveerde daar in 1763 op een proefschrift over een strafrechtelijk onderwerp: De Restitutione gratiae (over het verlenen van gratie).

Schepen en burgemeester

Na zijn studie kwam Johan Franco terug naar IJsselstein. Hoewel zijn vader de Herrnhutters royaal had ondersteund, was er voor hem nog voldoende van het familiekapitaal over om er goed van te kunnen leven.
Johan Franco Beijen werd al spoedig gevraagd voor het stadsbestuur: in 1764 werd hij tot schepen benoemd en enkele jaren later werd hij een van de twee burgemeesters van IJsselstein. De functies in het stadsbestuur wisselden van jaar tot jaar, maar Johan Franco was tot zijn dood vrijwel onafgebroken hetzij schepen, hetzij burgemeester van IJsselstein.
Het zegel dat Johan Franco gebruikte bevatte hetzelfde hertengewei dat ook voorkwam op de zegels van zijn voorvaderen uit de oudste generaties. Hiernaast is een exemplaar uit 1779 afgebeeld.

Huwelijk met Elisabeth Charlotte Elikink

In 1772 trouwde Johan Franco in IJsselstein met Elisabeth Charlotte Elikink. Zij was in 1740 geboren in Papendrecht. Haar vader Bernardus Elikink was daar tot zijn dood in 1767 predikant. Haar moeder Elisabeth van Esch was een zuster van de moeder van Johan Franco, en Johan Franco en Elisabeth waren dus neef en nicht.
Over de gedichten die Elisabeth Elikink schreef wordt onderaan deze pagina iets gezegd.

Johan Franco II en zijn vrouw kregen vier kinderen, van wie er een jong overleed. Een van hun kinderen was de op de volgende pagina genoemde Johan Franco III.

Omstreeks 1778 maakte de Haarlemse schilder Augustijn Claterbos (1750-1828) portretten van Johan Franco en zijn vrouw. Die twee schilderijen zijn lange tijd bij de familie bewaard gebleven. Omstreeks 1992 werden ze naar Amerika overgebracht, en helaas is hun huidige verblijfplaats onbekend. Het schilderij van Johan Franco II is de oudst bekende afbeelding van een lid van de families Beijen.

  

Patriotten en oranjegezinden

De grote politieke strijd aan het eind van de achttiende eeuw tussen de patriotten en de oranjegezinden had na 1780 ook zijn weerslag op het stadsbestuur van IJsselstein. Johan Franco Beijen stond bekend als oranjegezind, maar de patriotten hadden een minstens zo grote aanhang. In 1785 wisten de patriotten gedaan te krijgen dat de plaatselijke schutterij, die 40 jaar eerder was opgeheven, weer in het leven werd geroepen. De oranjegezinden zagen dat als een voorbode van een poging van de patriotten om de macht in handen te krijgen. Er volgde een onrustige tijd, zeker toen er Hollandse patriotse soldaten in IJsselstein werden ingekwartierd.
In 1787 veranderde de situatie in Nederland totaal toen Pruisische troepen de oranjepartij te hulp kwamen. Ook in IJsselstein hadden de oranjegezinden het toen weer voor het zeggen.

Het overlijden van Johan Franco

Johan Franco II overleed in 1789, nog maar vijftig jaar oud. De uitgebreide rouwbrief die zijn vrouw liet drukken begon als volgt:
Gister avond om negen uuren vond ik mij in de bitterste droefheid gedompeld, alzoo het den Vrijmagtigen Heer van dood en leven behaagt heeft, mijnen zeer waardige en teer beminde Echtgenoot, den Wel Edele Gestr. Heer en Mr. JOHAN FRANCO BEIJEN, regerend Burgemeester dezer Stad, in den Ouderdom van vijftig jaar en vijf maanden, na een ziekte van ruim vier weeken door den dood van mij weg te neemen.
Hoe swaar en grievende mij dit verlies zij, daar ik in denzelven mij beroofd zie van een waardigen en tederlievenden Man, mijne drie Kinderen van eenen regtgeaarden Vader, en de Stad van een algemeen geachten en beminde Regent: zoo wensche ik echter door genade den Heere te zwijgen, te meer daar het Hem behaagt heeft zijn Wel Edele, kort voor het gevaarlijkste van zijne ziekte, op eene bijzondere wijze met zijn ligt en genade gunstig voor te koomen, en tot dien smertelijken weg te bereiden, zoo dat hij, schoon niet tot den einde in die levendigheid, nochtans den Heere geloovig bleef aankleeven, en zeer gelaaten en eenswillende alleen op de Borggerechtigheid van den Goddelijken Heiland in de zalige rust is ingegaan.

Een vriend maakte na de dood van Johan Franco een rouwlied op de wijze van Psalm 42 ("'t Hijgend hert der jacht ontkomen", of "Evenals een moede hinde"). Het eerste en het derde van de tien coupletten luidden:

Hoogste Godt! wat zijn Uw wegen
Onnaspeurlijk! hemelhoog! ....
Niemand spreek' Uw Vrijmacht tegen:
Hier verliest zich 't schranderst oog;
'K Zwijg dies bij deez' zwaeren Slag,
Die deez' Rouwkreet wekt: "Ach! Ach!
"Onze Burgervader Beijen
"Is, helaes! te vroeg verscheijen!
O! wat moet zijn Huis al derven!
Wat zijn dierbaere Echtgenoot! ....
Kroost! ... en Stad! ... hoe menigwerven
Zugt men! ... "Zijn Gemis is groot!"
Ja: de Kerk, de Godtsdienst klaegt:
"Ach! mijn vreugd is weggevaegt!"
Hij was lieflijk voor zijn Vrinden,
En geächt bij Godtsgezinden.

De gedichten van Elisabeth Charlotte Elikink

De vader van Elisabeth Elikink schreef naast zijn werk als predikant ook veel religieus geïnspireerde gedichten, en Elisabeth volgde hem daarin na. Zij schreef onder andere een openingsgedicht voor de uitgave in 1769 van de door haar vader nagelaten Stichtelijke gezangen.
Uit het familiearchief Beyen dat aanwezig is in het Utrechts Archief blijkt dat Elisabeth ook op oudere leeftijd nog veel schreef. De meeste van haar gedichten waren bestemd voor haar familieleden en vrienden, maar in enkele gevallen, zoals bij het onderaan deze pagina geciteerde gedicht over de buskruitramp in Leiden, heeft zij waarschijnlijk een bredere lezerskring voor ogen gehad.

Een verjaardagsgedicht

Een voorbeeld van een bijdrage voor de familiekring was een gedicht dat zij in 1798 schreef ter gelegenheid van de vijfentwintigste verjaardag van haar zoon Johan Franco (III):

Op den 25ste verjaardag van mijnen oudsten zoon Joh: Franco Beijen den 28 Junij 1798<1>

Lieve Zoon wat vreugdestof
stof tot 's Hoogsten dank en lof,
mag ik deezen dag ervaren
nu gij vijfentwintig jaren
op dees aarde hebt beleeft
<2>
dat mij God die blijdschap geeft
dat ik dit moog zien gebeuren.
Moest ik al ontijdig treuren
om uws vaders droeven dood,
die te vroeg zijn oogen sloot
om uw jonkheid te onderwijzen
't deugdenspoor u aan te prijzen
dat men staag bewandelen moet.
Moest ge in 's werelds wildernissen
dus te vroeg zijn opzigt missen
't gaf mij dikwijls biddensstof.
Nu nu zing ik Gode lof
dat zijn hand u wou bewaren
u behoede voor gevaren
voor verlijding die de jeugd
dikwijls voerd van 't pad der deugd,
die hun doed in 't woeste dwalen
waar geen teugels hun bepalen
rennende onbesuist daarheen
op den weg der ijdelheên.
Gij liet beter u beraden
koos voor u de wijsheidspaden,
oeffende u in 't Stigs Atheên
<3>
in geneeskunst, kundigheên.
Vond ge hierin veel beswaren
die u steil en moeijlijk waren,
haast beklimt gij tog dien trap
dat men u in 't broederschap
van de docters hoort benoemen.
'k Wensch gij moogt u eens beroemen
dat uw naam der maatschappij
tot een eer en zegen zij!
Veelen die aan ziektens kwijnen
door de kragt der medicijnen
op uw raad en hulp gered
moeten door hun dankgebed
Gode voor die weldaad zegenen.
Moog u deze gunst bejegenen,
't gaf me opnieu weer blijdschapstof,
stof tot 's Hoogsten eer en lof.
Daar 't u nu ook word gegeven
na 's lands regt te mogen leven
onder eigen heerschappij
van het juk van voogden vrij,
uwe zaken te verrichten.
<4>
'k Wensch Gods geest zal u verligten,
zijne wijsheid zij uw schat
op het moeijlijk levenspad.
Hij wil u in alles zeegenen
wat u immer moog bejegenen.
Kiest ge ook eens den egten stand
<5>
'k wensch gij met uw hart en hand
een liefwaarde vrouw moogt trouwen,
niet slegts schoon voor 't oogs aanschouwen,
maar wier hart de deugd bezit.
Is dit reeds uw doel en wit,
God maak uwen weg voorspoedig,
geef dat zij in gunst ook goedig
aan u steeds in liefde denk,
u haar 't hart, en hand, eens schenk.
Voords mijn zoon, ik moet besluiten
maar nog deze bede uiten:
ken, en dien, uw vaders God,
dan verwacht ge een heilrijk lot.
't Zij u uit genâ gegeven,
hier een lang gelukkig leven,
en hierna de zaligheid,
die Gods gunstvolk is bereidt.

            Uw liefh. moeder
            E.C.E. Wed: J.F.Beijen

<1>
De datum lijkt niet helemaal te kloppen: Johan Franco werd gedoopt op 27 juni 1773.
<2> Aan het eind van de achttiende eeuw was er nog geen vastgelegde spelling. We kunnen het de dichteres dus moeilijk kwalijk nemen dat haar spelling van o.a. de werkwoordsvormen afwijkt van wat wij op school hebben geleerd.
<3> Het Sticht is een oude naam van de provincie Utrecht. Met het Stichts Athene werd gedoeld op de universiteitsstad Utrecht, waar Johan Franco III geneeskunde studeerde.
<4> De meerderjarigheidsgrens lag destijds op 25 jaar. Het ging hier dus om een speciale verjaardag.
<5> Met de egte stand werd de huwelijkse staat bedoeld.

De buskruitramp in Leiden

In januari 1807 ontplofte er in Leiden een kruitschip. Het onderstaande schilderij van Johannes Jelgerhuis (bron: Wikipedia) illustreert dat de schade enorm was.

De weduwe Beijen, die inmiddels 66 jaar was, schreef een lang gedicht om haar medeburgers op te roepen om lering te trekken uit de ramp en bij te dragen aan de nationale collecte die werd gehouden:

Op den zwaren ramp Leiden overkomen den 12de van Louwmaand 1807

Daar 't akelig oorlogsvuur,zo hevig woed en brand
en volk bij volk verteerd, in 't een en ander land,
daar leevden wij gerust, en wisten van geen kwaden,
als die van Laïs zig in stille wellust baden,
<1>
elk in zijn bezigheid, 't zij in zijn huisgezin,
of in der vrienden rey, of in zijn koopgewin,
of ander nut bedrijf, of leerzame oeffeningen,
elk naar zijn staat en rang in de onderscheiden kringen,
de rijke in zijn weelde, en arme in zijn druk,
en ieder onbewust van 't naderend ongeluk;
toen op een ogenblik, daar, waar men 't minst vermoeden
of voor den zwaren ramp zig zelven kon behoeden;
ontstaat een dikke damp, daarop een schitterend ligt,
dat sneller zig bewoog, dan zwaard en blixemschigt;
toen een gedugte slag zig overal verspreide,
en trof, o treurgeval! het trof, het stille Leiden!
een schip met kruid belaan vloog ijlings in de lugt,
met alles daar rondsom, en baarde 't bangst gezugt,
dat immer wierd gehoord; de sterkste huizen kraken
en storten in elkaêr, met muuren, zolders, daken,
en al 't gezin verplet of staat verstomd van schrik,
o akelig tijdsgewrigt! o hachelijk ogenblik!
de vader mist zijn kroost, het kroost zijn vader weder,
de beste moeder, die haar zuigeling zo teder,
aan haren boezem drukt, die werden t'zaam verplet,
weer anderen zwaar gewond, ter nauwer nood gered,
o allertreurigst lot! wie kan uw ramp beschrijven,
't diep denkenste vernuft moet bij verstomming blijven
bij 't ijsselijkst toneel, dat nimmer weerga had!
wou God op Abrams bêe een boze Sodoms stad,
wel sparen om 't getal van slegts maar vijf paar zielen,
<2>
wierd eenen Lot gespaard; o,dat wij ned'rig knielen,
en vallen voor dien Heer die naar zijn vrijmagt doed,
en dog regtvaardig blijft, en althoos wijs en goed;
in Leidens ramp kwam vroom en onvroom t'zaam om 't leven,
wie moet voor 't oordeel Gods niet met ontzetting beven,
dat zoo geweldig trof, daar niemand wierd gespaard,
nog kunne, nog ouderdom, nog godvrugt, hoe vermaard,
den vromen ja, dien was 't, als een Elias wagen,
die wierd met sneller vlugt, ten Hemel ingedragen,
<3>
maar na 't uitwendig scheen, daar was geen onderscheid,
dan 'k zwijg hier, 's Hemels doen is althoos majesteid!
des moet ge o sterveling, gij moet u niet verheffen,
ook zulk een zwaren ramp had uw ook kunnen treffen,
't is Gods verschoning, 't is zijn liefde gunst alleen
die ons beveiligd heevt;wij moeten met gebeên
en dankbare harten laag, in diepen ootmoed, bukken,
zijn hand heevt ons bewaard, wou ons 't gevaar ontrukken,
dog gav een wenk aan elk hoe 't éénmaal wezen zal,
wanneer de Rigter komt ten oordeel van 't heelal!
men mag dog wel te regt, des Leidens ramp gelijken,
bij 's werelds jongsten dag als 't herte zal bezwijken,
van schrik en vreeze en angst, deez' aard in vuur zal staan,
de hemelen met gedruis al brandende vergaan,
en de elementen t'zaam,ontbonden en bewogen,
met vreezelijk geluidt van donders in den hogen,
en blixems hier beneên terwijl in 's aardrijks schoot,
geen schuilplaats wezen zal, in 's werelds jongsten noodt,
wanneer de Rigter zal verschijnen op de wolken,
tot vreugd en zaligheid van alle vroome volken,
maar voor den zondaar die in 't ongeloov volhardt
tot eeuwig durend weê en eindeloze smart!
en staat elk onzer dien geduchten dag te wachten,
hoe moest men dan met haast niet naar een schuilplaats tragten,
en zoeken 's Rigters gunst, die nog genade biedt
aan elk die met berouw gelovig tot hem vlied;
die Jesus tot zijn borg en Heiland wil verkiezen,
en liever alles, dan zijn liefde gunst verliezen,
die op dien rotssteen bouwd, zal wel gevestigd staan,
of Aard en Hemel wijkt, ja alles zal vergaan;
daar nu de HEER ons nog het leven wilde sparen,
en voor zo zwaren ramp, als Leiden trof, bewaren,
dat elk dan in gevoel van waren dankbaarheid
zijn liefde pligt betoon, in mededeelzaamheid,
tot hulp en onderstand, van 't zwaar bezogte Leiden;
dit was dog Neerlands roem, alreeds van oude tijden,
het steunzel van het land, waarom 't nog wierd gespaard,
men toon van 't vaderen bloed, nog niet te zijn ontaard;
God eischt dit van een volk, zijn zonden af te breken,
en door weldadigheid het goede aan te kweken,
Hij zegd den zulken ook zijn ruimen zegen toe,
koom landgenoten geevt, koom geev dan blij te moê;
zo zal eens Leiden weer in ouden luister leven
en aan de jonglingschap zijn wijze lessen geven,
zo word elks treurig hart opnieuw door u getroost,
uw naam met zegening, herdagt bij 't late kroost;
dat Hollands Koning hier, ten prijsselijk voorbeeld strekke
en Neerlands ijver vuur, in dezen op te wekken,
die toonde, als in de ramp van Leiden lotgenoot,
daar hij in 't bangst gevaar hun moedig bijstand boodt;
en zelvs uit zijnen schat zo mildelijk wou schenken
<4>
dat zij ook zijner steeds, met dankbaarheid gedenken,
en bidden dat hij door 't bestier van 's Hemels hand,
ten redder strekken moog van 't zinkend vaderland!
De Heer wil door zijn geest zijn herte zo verligten,
dat hij veel goeds veel heils ook voor de kerk moog stigten
ja geev ook in het hart, van 't gantsche vaderland,
dat het gevoelen moog Gods zwaar en slaande hand,
en vallen in de schuld, en bidden om genade
vergeving van het kwaad; berouw komt niet te spade,
<5>
wanneer men nog in tijds zijn Rigter valt te voet,
de zonde haat en laat, en Gods bevelen doedt.


<1> In het Bijbelboek Richteren (hoofdstuk 18 vers 27) wordt het volk Laïs genoemd: een volk dat vreedzaam en gerust leefde.
<2> Dit is een verwijzing naar Genesis 18 vers 32.
<3> Volgens II Koningen 2 vers 11 steeg de profeet Elia aan het eind van zijn leven in een vurige wagen met vurige paarden op naar de hemel.
<4> Koning Lodewijk Napoleon kwam al op de dag van de ramp naar Leiden. Hij toonde veel belangstelling en stelde uit zijn privévermogen een groot bedrag beschikbaar voor een door hem opgericht rampenfonds.
<5> Het woord spade betekent laat; vergelijk het Duitse spät.

Elisabeth Charlotte Beijen-Elikink overleed in 1812 in IJsselstein. Zij is 71 jaar geworden.
Er is aan haar een pagina gewijd in het Digitaal Vrouwenlexicon van Nederland.


   De volgende pagina

De voorpagina
Het inhoudsoverzicht

De bovenkant van de pagina
Zoeken op deze website

Reacties of vragen